De tandarts
Er valt een kaart door de brievenbus. Een foeilelijke lama staart mij grijnzend aan. Onder zijn kop de tekst : Zin in een afspraakje? Nou best wel, maar niet per se met een lama. Van wie zou die kaart zijn? Toch niet van die man in het ziekenhuis die ik in een vlaag van verstandsverbijstering laatst mijn visitekaartje heb gegeven??? Alles om hem maar te laten ophouden met zeggen hoe bijzonder en knap ik ben. Met een rood hoofd mijn tas induiken op zoek naar een visitekaartje was het enige dat ik kon verzinnen. Niet slim, ik weet het. Ik kijk nog eens naar de lama. Voordat ik met hem ga daten mag hij eerst wel eens naar de tandarts. Wat een gebit! Ik draai de kaart om. Ah, het kaartje is van de tandarts. Mijn tandarts. Tijd voor de periodieke controle. Of ik even wil bellen om een afspraak te maken. Hmmm, eigenlijk niet. Ik haat de tandarts. Gepruts aan mijn lijf in ziekenhuizen kan ik nog net aan, maar de tandarts. Brrrr. Ik word er fobisch van. En dat terwijl mijn gebit het sterkste onderdeel is van mijn lijf. Nooit gaatjes, piepklein beetje tandsteen en daarom hoef ik maar een keer per jaar op controle.

| |
Een foeilelijke lama staart mij grijnzend aan. |
Toch maar even bellen dan.
‘Er is vanmiddag iemand uitgevallen, zou één uur lukken?’, vraagt de allervriendelijkste assistente aan de andere kant van de lijn. ‘Uhm’, stamel ik. Mijn hersens draaien op volle toeren maar ik kan geen enkel argument verzinnen waarom het vanmiddag niet zou kunnen. ‘Vanmiddag moet lukken’, hoor ik mezelf zeggen. ‘Tot straks.’ En zo geschiedt het. Keurig om 13uur meld ik mij in de praktijk. Ik mag gelijk doorlopen. Strakke planning. Wow, ook strakke tandarts! Hoe kan ik hem vergeten zijn? Donker haar, gitzwarte ogen, prachtig gezicht. Dé combinatie om mij in één klap van mijn fobie af te helpen. Prettige afleiding is het halve werk. Ik probeer in de juiste positie plaats te nemen op de behandelstoel. Mislukt, weet ik als ik de tandarts hoor zeggen: ‘Kun je even een halve meter naar boven gaan liggen?’
Tandarts en ik moeten het nog eens hebben over de juiste standjes. Maar ik gehoorzaam meteen en hijs mezelf omhoog. ‘Zeg maar hoe je me hebben wilt’, denk ik stiekem. Pff, mag die lamp boven mijn kop even uit zeg! Zo kan ik mijn tandarts niet in zijn mooie ogen kijken. Met haken en spiegels wordt mijn mond in de breedbekkikkerstand getrokken. Maar veel met mijn lange wimpers knipperen ter compensatie. Binnen no time zegt tandarts: ‘Geen gaatjes, ziet er prima uit.’ ‘Geen gaatjes, weet je het zeker?’ Ik probeer mijn stem niet te smekend te laten klinken. Geen gaatjes betekent weer een jaar wachten tot tandarts en ik herenigd worden. ‘Ik haal nog even een beetje tandsteen weg.’ ‘Oh ja, doet u dat maar’, reageer ik verheugd. ‘Goh, bent u nu al klaar?’, vraag ik als tandarts in een wip zijn apparatuur weer uit mijn mond haalt. ‘Ja, over een jaar mag je weer terugkomen.’
‘Nou, dan ga ik maar’, zucht ik terwijl ik hem de vijf geef. Wat is ie knap, mijn tandarts. Hij is vast ook bijzonder. Als ik hem dat nou vertel, zou ik dan zijn visitekaartje krijgen?
Door Kim Moelands, 22 mei 2008

Eerder verschenen:
|